Nieuws Zonder Melkweg, geen bommetje

Datum: 24 februari 2016

Vanzelfsprekend. Zoek je het woord op in de Van Dale, dan staat daar geschreven ‘Van·zelf·spre·kend: 1. Natuurlijk, uiteraard’. Een vanzelfsprekende betekenis. Activiteiten die we ondernemen, of gebeurtenissen die ons overkomen zonder dat we daarbij stilstaan of er een verklaring voor zoeken herkennen we allemaal. De meesten klein en onbenullig, sommigen gro(o)t(er). Vaak voordehandliggend, soms ook minder duidelijk aanwezig. Ons alledaagse leven zit vol met vanzelfsprekendheden.

Door: Tjebbe Terken

Vorige week betrapte ik mijzelf ineens op zo een vanzelfsprekendheid, toen ik een concert bezocht in het Amsterdamse poppodium de Melkweg. Met enige regelmaat kom ik hier om, voornamelijk, sterren-in-wording te zien optreden. Dat daar ook wel eens artiesten tussen zitten die hun ster al weer zien doven voordat deze goed en wel gebrand heeft doet niet ter zake.

Steevast wanneer ik de Melkweg bezoek kom ik aangefietst vanaf het Leidseplein. Aan de linkerhand de schitterende Stadsschouwburg van Amsterdam, dan rechts op de hoek een van de (te) velen Ierse pubs die de stad rijk is, Dan Murphy’s, een plek waar de onwetende toerist zich graag laat afzetten. En dan hop, zo de steeg in naar de Melkweg. In deze steeg, die geen steeg is, parkeer ik vaak mijn fiets op de houten vlonder tegenover het politiebureau. Omdat deze structureel overvol is en fietsen hier weinig respect vergaren stal ik mijn fiets meestal een goeie honderd meter verderop, vastgeketend aan de brug over de Leidsegracht.

Daarna sluit ik, samen met mijn vaste groepje concertgangers, aan in de rij. Links die voor de grote zaal, The Max, en rechts doorgaans een kleiner groepje wachtenden voor de kleine zaal, de Oude Zaal. Omdat ik een gekke behoefte heb het liefst naar concerten te gaan van artiesten die nog geen duizend likes hebben op Facebook neem ik zonder erbij stil te staan vrijwel altijd plaats in de rechter rij. The Max is immers voorbehouden aan artiesten die tenminste al één keer eerder in Amsterdam hebben mogen optreden en zodoende al wat krediet hebben opgebouwd.
Beide rijen schuiven zij aan zijn synchroon door naar de ingang van de Melkweg, over de ophaalbrug die pronkt voor de ingang, langs de ticketcontrole, waarna deze zich splitsen richting garderobe, om ten slotte ieder hun weg te gaan naar de zaal van haar keuze.

Maar ditmaal was het anders. De rechterrij had de rol van links overgenomen. Tot aan het politiebureau stonden bezoekers twee aan twee vol enthousiasme in afwachting van wat de avond zou gaan brengen. Links op de brug was het akelig leeg. Met slechts vijf man mocht deze rij zich amper een rij noemen. Misschien was het wel daarom dat ik mij ineens besefte dat ik geen idee had wat de Melkweg nu eigenlijk was. Nooit eerder had ik erbij stilgestaan waarom de tweede poptempel van Amsterdam deze naam draagt. Nooit eerder had ik mij afgevraagd waarom de ingang naar de Melkweg over een ophaalbrug leidt, en hoe lang hier al concerten werden georganiseerd. Dit was nu eenmaal zo. En nu, terwijl ik op de brug stond te midden van hordes lawaaierige, rokende en opgedirkte fans, keek ik op naar een fascinerend gebouw waarvan ik bevroedde dat hier wel een rijke historie zou moeten liggen. En zo bleek.

Al ‘t goeie…

De Melkweg licht aan het gedempte deel van de Lijnbaansgracht. Deze gracht, die in 1612 werd gegraven, dankt haar naam aan de lijnbanen waarmee de vroegere touwslagers garens tot touw verwerkten. In de 18e eeuw werd tegenover wat nu de Melkweg is, een suikerraffinaderij gebouwd die de naam de Granaatappel kreeg. Het ging zo goed met de raffinaderij – vandaag de dag nog fungerend als nachtclub Sugarfactory – dat er in 1890 een pakhuis bij werd gebouwd voor de extra opslag van suikerzakken. Dertig jaar later, op 16 september 1920, nadat het gebouw deels was afgebrand tijdens de Eerste Wereldoorlog, sloot de raffinaderij haar deuren.

Het pand werd daarna opgekocht door de Onderlinge Vereeniging van Veehouders tot verkoop van zuivere koemelk (OVvV) die er een melkfabriek oprichtte. Een ideale locatie zo midden in de stad. De OVvV had als doel zuivere melk aan de man te brengen. Tot die tijd werd melk aangelengd met grachtwater, met vele ziektes tot gevolg. Doordat de melk nu vanaf een centraal punt sneller kon worden geleverd aan klanten, betekende ook dat bacteriën minder kans hadden om zich eens uitgebreid te vermenigvuldigen in de melk.
In 1949 liet de directeur van de melkfabriek de ophaalbrug plaatsen, nadat hij deze persoonlijk had uitgezocht in de buurt van Wolvega in de provincie Friesland. Het waren hoogtijdagen voor de fabriek. De OVvV was zelfs zo succesvol dat deze in 1969 fuseerde met de Melkunie. Een noodgedwongen verhuizing volgde.

Lang stond de fabriek echter niet leeg. Een jaar eerder was Paradiso geopend. Dit jeugdcentrum was zo populair dat er ook naar andere locaties in de stad werd gekeken die als jeugdfaciliteit konden dienen. In de zomer van 1970 werd door de gemeente Amsterdam een tijdelijke vergunning afgegeven voor een jeugdcentrum in de voormalige stallingsruimte van de melkfabriek. Er werden een theehuis, een restaurant en een zaal voor film, muziek en theater ingericht. Het jaar erop kreeg deze drie-eenheid een permanente vergunning, en vestigde de Melkweg zich definitief als een ontmoetingsplaats voor de Amsterdamse jeugd. In de jaren daaropvolgend groeide de Melkweg uit tot een tot fameus poppodium met bekendheid over de hele wereld. Menig groot artiest, waaronder The Police, Prince, U2 en Coldplay traden er op.

Net als de Melkweg verging het ook de Melkunie goed. Na de fusie met de Onderlinge Vereeniging van Veehouders tot verkoop van zuivere koemelk groeide het bedrijf gestaag door. De coöperatie Melkunie Holland, zoals de officiële naam luidde, actief in West-Nederland, fuseerde  in 1989 met een andere grote melkcoöperatie die vooral in het zuiden van het land de dienst uitmaakte: Campina. Hiermee ontstond de grootste zuivelfabrikant van Nederland, Campina Melkunie.

Wie Melkunie zegt, zegt “Nog zo gezegd geen bommetje”. Een koe badderend op een waterluchtbed in het zwembad in de achtertuin van een luxueuze villa. Een koe slenterend op badslippers met een handdoek over de nek geslagen. Een stukje Hollandse geschiedenis op ons netvlies gebrand. De met een Gouden Loeki bekroonde reclame uit 1997, met in de hoofdrol een stralende Peer Mascini, was de bekendste in een reeks van commercials met de slogan “Al ‘t goeie komt van Melkunie-koeien”.

Wel of geen beursgang?

Nadat nog enige jaren de naam Campina Melkunie werd gevoerd, ging het bedrijf vanaf 2001 verder als Campina. Uit een volgende fusie, met Friesland Foods, ontstond in 2008 het bedrijf zoals we het nu kennen: FrieslandCampina.

Ondanks al deze fusies is de bedrijfsvorm altijd dezelfde gebleven. FrieslandCampina, waarvan de geschiedenis teruggaat tot 1892, is het (voorlopige) resultaat van een reeks van fusies van coöperaties. Hetgeen coöperaties gemeen hebben is dat ze niet beursgenoteerd zijn. Aandeelhouders zijn er dus niet. De coöperatie heeft in plaats daarvan leden. Deze leden zijn de oprichters en de kapitaalinbrengers van de coöperatie en beslissen over de gang van zaken in het bedrijf.

Nederland heeft een rijke geschiedenis als het gaat om coöperaties. De bekendste van allemaal is zonder meer de Rabobank. Maar ook bedrijven als The Greenery en Achmea zijn coöperaties. Zelfs Aegon was er ooit een. Maar de verzekeraar besloot al in 1983 haar certificaten in te ruilen voor aandelen.
Coöperaties werden ooit opgericht als een soort van samenwerkingsverbanden tussen producenten en/of consumenten om schaalvoordelen te kunnen behalen, zoals gezamenlijke inkoop van producten. Naast dat er tal van andere voordelen kleven aan de coöperatie als bedrijfsvorm, zijn er ook wel een enkele nadelen te benoemen. Zo is de besluitvorming vaak trager dan bij beursgenoteerde ondernemingen, omdat alle leden gezamenlijke beslissingsbevoegdheid hebben. Omdat hiermee ook het vermogen van de coöperatie van alle leden gezamenlijk is, is het moeilijker het vermogen efficiënt te beheren. Vanwege het besloten karakter van een coöperatie is het zodoende ook lastiger om nieuw kapitaal op te halen. Iets wat eenvoudiger lijkt voor beursgenoteerde ondernemingen.
Kapitaal is nodig om overnames te kunnen doen, en om als bedrijf verder door te kunnen groeien. Zelfs Rabobank besloot in 2014 haar ledencertificaten naar de beurs te brengen om kapitaal op te halen, waarmee de boerenleenbank feitelijk een tussenvorm creëerde als welles-nietes-beursgenoteerd bedrijf.

Natuurlijk is niet zo eenvoudig te zeggen of een bedrijf er beter aan doet door naar de beurs te gaan. Een beursgang levert kapitaal op. Maar wat als de koers flink keldert? Groei zit er dan ook niet in. Overnames blijven achterwege. Er zijn hele boeken geschreven over de voor- en nadelen van de verschillende bedrijfsvormen.

Maar laten we eerlijk zijn. Als vaderlandslievende Hollanders zijn we stiekem toch maar wat trots als Nederland op het wereldtoneel verschijnt. Beetje bij beetje zien we Hollands glorie verdwijnen aan de beurs als gevolg van internationale overnames. De Heinekens en Philipsen worden almaar schaarser. Een nieuwe oranjegekleurde onderneming van wereldformaat zou niet misstaan aan de Euronext Amsterdam. FrieslandCampina is een ideale kandidaat. Maar met opkomende economieën als India en China, waar de zuivelproductie de afgelopen tien jaar exponentieel is toegenomen, is het vermoedelijk wederom een kwestie van tijd voordat het bedrijf een prooi wordt voor een of andere gigant uit het Verre Oosten. Zo vanzelfsprekend is een beursgang dan ook niet.

Een ding lijkt wel zeker: zonder de Melkunie geen Melkweg, en zonder de Melkweg geen bommetje.